Een werknemer zonder wettig verblijf werd veroordeeld door de correctionele rechtbank voor (1) valsheid in en (2) gebruik van vervalste authentieke en openbare geschriften, door particulieren of openbare officieren en ambtenaren buiten de uitoefening van hun bediening gepleegd, en gebruik ervan – namaking of vervalsing van geschriften of handtekeningen en (3) bedrieglijk gebruik van paspoorten, reisdocumenten, identiteitskaarten of als zodanig geldende bescheiden. De werknemer in kwestie, zonder wettig verblijf in België, werkte gedurende twee jaar onder naam van iemand anders als supermarktbediende. Hij had deze persoon leren kennen in het station van Gent, waar hij – toen hij net in België was aangekomen – sliep. Deze persoon sprak dezelfde taal en beloofde hem te helpen en gaf zijn identiteitskaart om hier werk mee te zoeken. De werknemer solliciteerde hiermee bij een supermarkt en opende hiermee ook een bankrekening waarop het loon werd gestort. Hiervoor moest hij elke maand 300 euro betalen. Na ongeveer twee jaar kreeg de werknemer wettig verblijf op basis van gezinshereniging en wou hij zijn situatie regulariseren. Hij informeerde zijn werkgever over deze kwestie en deze contacteerde de politie.
De werknemer werd door het Parket voor de correctionele rechtbank gedagvaard. De feiten zijn niet te betwisten en werden bijgevolg ook niet tegengesproken door de werknemer. Wat ons echter verbaasd heeft in dit dossier, is dat enkel de werknemer verantwoordelijk wordt gehouden voor dit misdrijf, terwijl de persoon die de identiteit heeft uitgeleend, en daarvoor een financiële vergoeding heeft ontvangen, niet werd gedagvaard. Bovendien bouwde deze persoon sociale rechten op, op basis van de geleverde arbeid van de veroordeelde werknemer. Dit roept de vraag op waarom de focus ligt op de werknemer die zich in een kwetsbare positie bevond, terwijl de persoon die deze identiteit heeft verstrekt, en minstens even schuldig is aan het misdrijf, buiten beeld blijft. De werknemer, die vaak al in een precaire situatie verkeert, wordt zwaar gestraft, terwijl de persoon die daadwerkelijk profiteerde van deze handeling onbestraft blijft.
De werknemer vroeg een opschorting, aangezien een veroordeling mogelijk een probleem zou kunnen vormen voor de aanvraag van de Belgische nationaliteit in de toekomst, maar deze werd niet toegekend door de rechtbank. Hij werd veroordeeld tot een werkstraf van 50 uur.