Een man zonder wettig verblijf in België werkte jarenlang als buschauffeur voor een bedrijf zonder degelijk contract of sociale aangifte. Hij werkte bijna dagelijks, vaak ook in het weekend, en kreeg contant betaald, eerst 40 euro en later 50 euro per dag. Soms werden bedragen ingehouden zonder reden. De werkgever beloofde dat hij een gecombineerde vergunning zou aanvragen voor de werkgever, maar dit gebeurde in realiteit nooit. Na een klacht en een onderzoek van de sociale inspectie bleek dat de werkgever via verschillende bedrijven pleegde door geen sociale bijdragen te betalen en werknemers onder het minimumloon te betalen.
De rechtbank oordeelde dat de werkgever en het bedrijf schuldig waren aan het laten werken van iemand zonder wettig verblijf (op basis van de wet van 30 april 1999), het niet aangeven van de Dimona-aangifte (op basis van het koninklijk besluit van 5 november 2002), het niet betalen van sociale zekerheidsbijdragen (op basis van de wet van 27 juni 1969), en het ontbreken van schriftelijke contracten en individuele rekeningen.
De werkgever moest de werknemer 7.029,62 euro betalen voor het loon dat hij niet had gekregen. De werkgever kreeg ook strafrechtelijke boetes, die varieerden van 1.000 tot 3.000 euro per werknemer. Deze boetes werden echter verlaagd omdat het proces zo lang had geduurd. De rechtbank besloot ook dat de werkgever alle gerechtskosten moet betalen. De definitieve beslissing over de betaling van achterstallige RSZ-bijdragen werd even aangehouden totdat er een gedetailleerde berekening was gemaakt.