Tijdens een controle van een onderneming begin oktober 2017 stellen de sociaal inspecteurs vast dat een werknemer zonder verblijfsrecht bezig is met het uitladen van een bestelwagen. Deze werknemer neemt vervolgens contact op met de vzw PAG-ASA.
De vzw PAG-ASA neemt in oktober 2019 contact op met het Arbeidsauditoraat van Brussel over deze werknemer zonder verblijfsrecht. Hij verklaart dat hij tussen januari 2016 en mei 2019, zeven dagen per week, zwart heeft gewerkt in een opslagplaats voor de levering van aromatische kruiden. Hij verklaart dat hij onvoldoende werd betaald en dat hij het slachtoffer is geworden van een ernstig arbeidsongeval.
In januari 2020 wordt de werknemer gehoord door de sociaal inspecteurs van de RSZ. Hij verklaart dat hij begin januari 2016 door zijn voormalige werkgever werd benaderd, terwijl hij zich in een financieel en administratief kwetsbare situatie bevond. Hem werd een dagloon van 10 tot 15 euro aangeboden voor het vervoeren en uitladen van aromatische kruiden.
Hij verklaart dat hij het slachtoffer is geweest van mensenhandel. Hij verbleef ter plaatse en beschikte over een matras die boven op de koelruimte lag. De ladder waarmee hij op de koelruimte moest klimmen, was te kort. Hij beschikte niet over sanitaire voorzieningen of een keuken. Hij moest dag en nacht op elk moment beschikbaar zijn voor het geval zijn werkgever hem nodig had. De werknemer omschrijft deze situatie als uitputtend.
In mei 2019 doet zich een verkeersongeval voor terwijl de werknemer zich in een bestelwagen bevindt die in het kader van het werk werd gebruikt. De werknemer raakt daarbij ernstig gewond. Na het ongeval zorgen de zaakvoerder en zijn dochter ervoor dat hij tijdens zijn herstelperiode onderdak krijgt en ontvangt hij gratis medische verzorging.
De werknemer meldt vervolgens aan zijn werkgever dat hij niet zijn volledige loon heeft ontvangen. Zijn werkgever antwoordt dat hij onvoldoende liquide middelen heeft en stelt voor om hem wekelijks een deel van het verschuldigde bedrag te betalen. Dit gebeurt gedurende enige tijd, maar wordt vervolgens stopgezet.
De sociaal inspecteurs van de RSZ voeren verschillende onderzoeken uit en stellen vast dat er geen Dimona-aangifte werd gedaan, dat de sociale bijdragen niet werden betaald en dat de leefomstandigheden in strijd waren met de menselijke waardigheid.
Tijdens het optreden van de RSZ wordt, na verschillende controles, een tweede werknemer zonder verblijfsrecht aangetroffen. Hij bevindt zich in dezelfde arbeidsomstandigheden als de eerste werknemer en is eveneens slachtoffer van mensenhandel.
De beklaagden worden gedagvaard wegens de volgende feiten: mensenhandel, tewerkstelling van een buitenlandse onderdaan die niet tot een verblijf van meer dan drie maanden in België is toegelaten of gemachtigd, het ontbreken van een Dimona-aangifte of het indienen van een onjuiste Dimona-aangifte bij de indiensttreding, het niet (tijdig) betalen van het loon aan de werknemer en het niet storten van de socialezekerheidsbijdragen (of voorschotten daarop).
Tijdens de verhoren verklaart de persoon die op de dag van het ongeval van de eerste werknemer de bestelwagen bestuurde (de eerste bestuurder) dat de verplaatsing privé was en dat hij naar het containerpark ging. De tweede bestuurder van de werknemers (die eveneens in de onderneming werkte) verklaart dat hij op de hoogte was van de leefomstandigheden van de tweede werknemer en dat hij hem af en toe warme maaltijden bracht.
De zaakvoerder van de onderneming en zijn dochter erkennen de tewerkstelling van de eerste bestuurder en de eerste werknemer niet. Zij verklaren eveneens dat de verplaatsing op de dag van het ongeval privé was en niet beroepsmatig. Zij erkennen dat de tweede werknemer in het magazijn sliep, maar stellen dat de hygiënische omstandigheden niet zo slecht waren als door de werknemer werd beschreven.
Op burgerlijk vlak worden de beklaagden hoofdelijk veroordeeld tot betaling van 36.000 euro wegens morele schade en 48.180 euro ter vergoeding van de materiële schade die aan de eerste werknemer werd toegebracht. Voor de tweede werknemer worden de beklaagden hoofdelijk veroordeeld tot betaling van 7.000 euro wegens morele schade en een provisionele som van 5.916 euro ter vergoeding van de materiële schade.
Op strafrechtelijk vlak worden de zaakvoerder, zijn dochter en de twee bestuurders (die gezag uitoefenden over de andere werknemers) allen veroordeeld tot een gevangenisstraf — waarvan de duur afhankelijk is van de beklaagde — en een geldboete. Daarnaast moeten zij een bedrag storten aan het Bijzonder Fonds voor hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden en aan occasionele redders, een bijdrage betalen aan het begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand en een vergoeding betalen. Ook deze bedragen verschillen naargelang de beklaagde.
De onderneming zelf wordt tot dezelfde straffen veroordeeld, met uitzondering van de gevangenisstraf.
De werkgever tekent beroep aan.